Het Wambule geeft zijn geheimen prijs

Full text. By Annemiek van der Krogt, 2004. Appeared in Chautari 17, 1 November 2004.

Tijdens de Nepal Parba sprak taalkundige Jean Robert Opgenort voor een geïnteresseerd publiek over zijn onderzoek naar de taal van de Wambule Rai. Dit volk behoort tot de Kiranti-volken van oostelijk Nepal. Zo’n vijfduizend mensen spreken het Wambule, een Tibeto-Birmaanse taal. Het zijn vaak eenvoudige boeren die verschillende graansoorten verbouwen en daarnaast varkens en kippen en soms ook koeien, buffels en geiten houden. Ze leven verspreid rondom het samenstromingsgebied van de rivieren Sunkosi en Dudhkosi. Annemiek van der Krogt vroeg Jean Robert naar zijn ervaringen tijdens zijn verblijf bij het volk, naar het belang van taalkundig taalonderzoek voor Nepal en of het Wambule behouden blijft.

Tijdens zijn studie Franse Taal en Letterkunde raakte Jean Robert Opgenort geïnteresseerd in taalkunde en beschrijvend taalkundig onderzoek. ‘Ik wilde graag alle aspecten van een taal beschrijven, het liefst van een taal die nog niet eerder was vastgelegd.’ Toen hij besloot te solliciteren bij het Himalaya-talenproject aan de Universiteit Leiden ging deze droom is vervulling. Bij dit project ging het erom onderzoek te doen naar tot dan toe onbeschreven of weinig bekende talen uit het Himalaya-gebied. Doel was deze talen – voordat ze uitstierven – vast te leggen voor het nageslacht. ‘De projectleider George van Driem liet mij gelukkig vrij in mijn keuze om te bepalen welke taal ik wilde bestuderen. Op basis van een kort artikel over de implosieve plofklanken van het Wambule koos ik voor deze taal. De klanken intrigeerden me. Naast dit artikel bestond er van het Wambule nog een lijst van ruim tweehonderd woorden die halverwege de negentiende eeuw was opgesteld door de vooraanstaande Britse taalkundige Brian Houghton Hodgson. Verder was er niets bekend over deze taal.’

Ontmoeting met twee leraren

In november 1996 ging Jean Robert voor de eerst keer voor veldwerk naar Nepal. Hij sprak toen nog nauwelijks Nepali. De eerste vijf dagen verbleef hij in Kathmandu om enigszins te acclimatiseren en de benodigde papieren voor zijn verblijf te regelen. Hij moest bovendien nog uitzoeken op welke manier hij het best naar het Wambule-gebied kon reizen. ‘Ik wist dat de taal ergens in zuidelijk Okhaldhunga werd gesproken, maar waar precies was mij nog volstrekt onduidelijk. Het gebied ligt ver buiten de platgetreden toeristische routes, en er was in Nederland weinig tot geen informatie over beschikbaar. Na enige navraag bleek dat ik het best met een bus van Kathmandu naar Katari kon gaan.’ Tijdens de lange rit in de overvolle bus leerde hij al snel een onderwijzer kennen die zijn Engels wat wilde oefenen. De man wilde hem graag verder helpen en bleek bereid een stuk met hem op te lopen naar Okhaldhunga. Onderweg kwamen ze per toeval nog een onderwijzer tegen die in het dorp Hilepani werkzaam was. ‘Deze man, Vishnu Deb Chaudhari, wist te vertellen dat de mensen in zijn dorp Wambule Rai waren. Hij nam mij mee naar zijn dorp, waar ik kon logeren bij het gezin van de 65-jarige Chandra Bahadur Rai. Ze woonden, net als alle anderen, in een klein huis zonder elektriciteit en sanitaire voorzieningen. Chandra zegde mij meteen toe zijn taal te leren. Vanaf die dag was hij voor mij een intelligente, betrouwbare, geestige en bovenal zeer gastvrije leraar en informant.’

Honderden bladzijden in fonetisch schrift

Jean Robert verbleef tien weken in Hilepani om de beginselen van de Wambule-taal te leren. ‘Omdat ik geen opnameapparatuur bij me had, moest ik alles wat Chandra, zijn familie en buren tegen mij zeiden op papier zetten. Binnen enkele weken had ik honderden bladzijden met woorden, zinnen, werkwoordsvervoegingen en korte verhalen opgetekend. Alles in fonetisch schrift. Op een gegeven moment had ik zelfs zoveel materiaal verzameld dat ik het overzicht dreigde te verliezen. Om mijn verzameling in alle rust te kunnen analyseren, keerde ik terug naar Nederland.’ Een jaar later was Jean Robert weer in Hilepani, waar hij wederom verbleef bij het gezin van Chandra Bahadur Rai. Om meer te weten te komen over de verschillende dialecten van het Wambule, verbleef hij daarnaast nog enkele weken bij gezinnen in andere dorpen. Het Wambule heeft een aantal interessante grammaticale eigenschappen. ‘Kenmerkend voor het Wambule als ‘bergtaal’ is dat men een onderscheid maakt tussen drie ruimtelijke posities die een voorwerp kan innemen ten opzichte van een referentiepunt: ‘boven’, ‘horizontaal’ of ‘beneden’. Dit onderscheid is in een groot aantal woorden terug te vinden. Bijvoorbeeld de werkwoorden picam ‘komen (vanuit een horizontale richting)’, gacam ‘komen (van beneden)’, ywacam ‘komen (van boven)’ en blakcam ‘komen (vanuit een niet nader gespecificeerde richting)’. Het was voor Jean Robert soms moeilijk erachter te komen wat de mensen precies onder ‘boven’, ‘horizontaal’ en ‘beneden’ verstonden. ‘Wat de Wambule als ‘horizontaal’ kwalificeren, zou ik eerder als ‘boven’ betitelen. Misschien komt dat omdat ik uit het platte Nederland kom.’

Het doel is bereikt

Terwijl hij het Wambule leerde, kwam Jean Robert erachter dat veel woorden synoniemen hadden die alleen is samenhang met de religie werden gebruikt. ‘Het dagelijks woord voor deur is kimsul, terwijl dit bharlang is in de heilige teksten. Ook maken de Wambule in hun woordgebruik onderscheid tussen drie godsdienstige autoriteiten. Een jwamco is een soort sjamaan met genezende en helderziende kwaliteiten. Hij is in staat geesten uit te drijven. Een nakso is een geestelijk leider van een familie, een soort familiepriester die de godsdienstige ceremonies van een familie leidt. En een ngabuco is een soort hulppriester, die in geval van nood ook godsdienstige ceremonies mag leiden. Zo kwam ik niet alleen iets te weten over hun taal, maar ook over hun cultuur.’ Na zijn tweede bezoek reisde Jean Robert nog twee maal naar Nepal om nieuw materiaal te verzamelen en het reeds verzamelde materiaal te verifiëren. ‘Echte hoogtepunten waren de momenten waarop ik het gevoel kreeg erachter te zijn gekomen waarom de Wambule een bepaalde werkwoordsvorm of een bepaald woord gebruiken. Ook als ik grotendeels begreep wat er tijdens een gesprek werd gezegd, voelde ik dat ik voortgang boekte.’ Uiteindelijk bestond zijn materiaal uit enkele duizenden woorden, duizenden voorbeeldzinnen, tientallen verhalen en enkele honderden foto’s. ‘Dit bleek voldoende waardevolle gegevens te bevatten voor een grondige beschrijving van het Wambule. Ik deed er nog meer dan een jaar over om mijn proefschrift The Wambule Language te schrijven. Op 6 juni 2002 promoveerde ik op mijn grammaticale beschrijving van de Wambule-taal. Ik had mijn doel bereikt.’

Blijft het Wambule behouden?

Voor de wetenschapper is vooral de vergaarde kennis van belang, maar Jean Robert denkt dat taalkundig onderzoek zeker ook een positief kan hebben op de bestudeerde taal. ‘Door het onderzoek kunnen sprekers hun eigen taal meer gaan waarderen, waardoor de overlevingskans van de taal toeneemt.’ In Nepal zijn minderheidstalen gedurende een lange periode systematisch onderdrukt, maar vanaf 1990 staan ze weer op de politieke agenda. Sinds die tijd heeft de regering uiteenlopende plannen gemaakt om de diversiteit aan talen te behouden. Zo ondernamen taalkundigen begin jaren negentig de Linguistic Survey of Nepal en werd in 1996 het Instituut voor Oorspronkelijke Volkeren opgericht. Tegenwoordig zijn er zelfs een aantal radio-uitzendingen in enkele minderheidstalen en bestaan er zelfs leermiddelen en woordenboeken. Voor het maken hiervan worden soms de grammaticale beschrijvingen van taalkundigen gebruikt. ‘Taalkundig onderzoek kan dus in meerdere opzichten bijdragen aan het behoud van een taal.’ Toch kan een taal volgens Jean Robert alleen blijven bestaan als de sprekers dat zelf willen. ‘Het is me opgevallen dat de Wambule die buiten het kerngebied wonen, hun taal niet meer doorgeven aan hun kinderen. Dat vind ik erg spijtig. Gelukkig zijn er ook voldoende mensen die zich wel zorgen maken over het voortbestaan van hun taal en die het gebruik ervan aanmoedigen. Zo brengt de Wambule Samaj Nepal het tijdschrift Libju-Bhumju uit. Ik hoop mijn steentje bij te dragen door een goedkope versie van mijn grammatica van het Wambule te schrijven, zodat deze ook in Nepal kan worden verspreid.’

Op de taalkundige kaart

Jean Robert heeft met veel plezier bij de Wambule geleefd en hun taal bestudeerd. ‘Het is toch een beetje mijn taal en mijn volk geworden. Ik vraag me geregeld af of ik met een andere taal en een ander volk ooit weer een dergelijke band kan opbouwen.’ Aan de andere kant beseft hij terdege dat hij zich nooit helemaal thuis zal voelen bij de Wambule, met name door hun leefomstandigheden. ‘Ik vind het moeilijk ergens lang in the middle of nowhere te verblijven onder primitieve omstandigheden en met de dagelijkse culinaire ontberingen. Ik houd toch wel erg van Nederland en van het luxueuzere bestaan hier. Echter, na zo’n tijd in Nepal maak ik mij echt niet meer druk als de trein vijf minuten later komt. Ook hoef ik niet langer het nieuwste van het nieuwste op snufjesgebied te hebben. De doorsnee levensomstandigheden in Nepal laat mij beseffen hoe goed ik het heb en dat ik dat koesteren moet.’ Toch zou hij graag nog meer willen leren over de taal van de Wambule. ‘Dat is een project voor de toekomst. Voorlopig ben ik blij dat ik het Wambule op de taalkundige kaart heb gezet en dat ik erover kan praten en schrijven.’

Uitgeverij Brill in Leiden publiceert dit jaar een handelseditie van Jean Robert’s proefschrift onder de titel A Grammar of Wambule: Grammar, Lexicon, Texts and Cultural Survey of a Kiranti Tribe of Eastern Nepal. Meer informatie over dit nieuwe boek en over zijn onderzoek is te vinden op www.opgenort.nl.